Zorgprotocol

                                                                             



INHOUDSOPGAVE

1.     INLEIDING                                     

2.     ZORGPROTOCOL SPS EN KIND IN DE KERN VAN DE GEMEENTE STEENWIJKERLAND               

3.     SIGNALEREN EN OBSERVEREN                      

4.     KINDBESPREKINGEN                                     

5.     ZORGROUTE                                                

5.1   Observeren, signaleren en handelen          

5.2   Plaatsing met voorrang op indicatie

5.3   Kinddossier

5.4   Privacy

5.5   Netwerk voor consultatie en inzet            

6.     ROL OUDERS/ VERZORGERS                         

  1. Ouders als pedagogisch bondgenoot
  2. Contactmomenten
  3. Handelen zonder toestemming

       

7.     ONDERLIGGENDE DOCUMENTEN en FORMULIEREN

                       

 Versie 4, september 2014


1.     INLEIDING

De peuterspeelzaal heeft een belangrijke functie in de ontwikkeling van het jonge kind. Veel peuters zetten hun eerste stap buiten de deur als zij naar de speelzaal gaan. Peuters ontmoeten leeftijdsgenoten in een uitdagende omgeving die helemaal op hen is afgestemd. Peuters worden begeleid en ondersteund door leidsters die deskundig zijn in het volgen van de ontwikkeling. Samenwerking met andere instellingen (zoals consultatiebureau, basisschool) maakt een sluitend netwerk rondom de doorgaande ontwikkelingslijn.

De leidster observeert de peuters voortdurend waardoor ze de ontwikkeling en het gedrag van de peuter kan volgen. Wanneer een leidster zorg heeft rondom de ontwikkeling, het gedrag of de thuissituatie gaat zij het zorgtraject starten. Het is belangrijk dat de leidster de juiste stappen neemt, dat zij voortdurend met ouders communiceert, de juiste samenwerkingspartners weet in te schakelen en ouders kan verwijzen wanneer dat nodig is. Dit zorgprotocol en het observatiesysteem is de basis waarmee leidsters in het kader van vroegsignalering opvallend gedrag en ontwikkelingsachterstanden kunnen signaleren. Bij Stichting Peuterspeelzalen Steenwijkerland staat de leidster er niet alleen voor. Er is een heel netwerk opgebouwd van ondersteuningsmogelijkheden (zie hoofdstuk 5, Zorgroute).

Het zorgprotocol moet helderheid bieden in de taakverdeling en wie welke verantwoordelijkheden heeft. Hoe wordt omgegaan met ouders en samenwerkingspartners. De stichting vindt het een maatschappelijk belang dat er zo vroeg mogelijk gesignaleerd wordt en zo snel mogelijk gehandeld. De leidster heeft de verantwoordelijkheid adequaat te reageren op zorgvragen of zorgpeuters die zij zelf signaleert en op zorgen en vragen van ouders. In dit protocol wordt gesproken over inzet van de pedagogisch manager, zij vervult binnen haar functie ook de taak van zorgcoördinator/ Intern Begeleider. Zij is aanspreekpunt voor en begeleider van de leidsters. Voor de leesbaarheid van dit protocol wordt steeds gesproken van pedagogisch manager (PM). Tevens moet daar waar ‘ouder(s)’ geschreven staat ‘ouder(s)/ verzorger(s)’ gelezen worden.

Gelukkig ontwikkelen de meeste kinderen zich normaal, maar in sommige gevallen komen er signalen die leiden tot vragen, twijfels of zorgen. Dan spreken we van een zorgvraag of van zorgkinderen. Alle stappen, handelingen en gesprekken worden uitgevoerd met inachtneming van het privacyreglement. Zie hiervoor het beleidsplan van de Stichting Peuterspeelzalen Steenwijkerland (SPS).

Sinds juli 2013 hanteert SPS de (wettelijk verplichte) Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en heeft SPS een aandachtsfunctionaris hier voor aangesteld. De Meldcode  bevat een stappenplan welke door de leidsters gevolgd wanneer er signalen zijn die kunnen duiden op huiselijk geweld of kindermishandeling. Op iedere locatie is de meldcode inclusief een sociale kaart aanwezig.

September 2014


2.     ZORGPROTOCOL SPS EN KIND IN DE KERN VAN GEMEENTE STEENWIJKERLAND.

Ontstaansgeschiedenis

Dit zorgprotocol is geen op zichzelf staand document, maar heeft zijn oorsprong in een in 2008 gestarte pilot in Sint Jansklooster en Vollenhove onder de naam Kind in de Kern. In deze pilot is met gemeente, jeugdgezondheidszorg, basisscholen, kinderdagverblijven en peuterspeelzalen gewerkt aan een structuur om opvang, onderwijs en zorg effectiever en sneller met elkaar te verbinden. Er werd gewerkt met Zorgteams, een klein team bestaande uit de ouders, jeugdverpleegkundige en intern begeleider (IB-er) (van basisschool) óf zorgcoördinator (ZC) (van dagverblijf of peuterspeelzaal).

Voor de peuterspeelzalen en kinderdagverblijven is een training ZC opgezet om in deze functie te kunnen voorzien.  

In 2010 heeft de gemeente onderzoek laten doen naar de werkervaringen en resultaten. Daaruit kwamen positieve conclusies over de aanpak, maar moest er nog wel een methodiek beschrijving komen. Eind 2011 is het Handboek methodiek Kind inde Kern aan alle betrokkenen uitgereikt.

Na de pilotfase in Sint Jansklooster en Vollenhove zijn in 2010  Zorgteams gestart in Oldemarkt, Steenwijk (Gagels en Oostermeenthe) en Kuinre. Met ingang van 1 januari 2012 is in geheel Steenwijkerland KIK in werking getreden, zodat er voor alle kinderen van 0 tot 12 jaar, door ouders en beroepskrachten een zorgteam kan worden geformeerd.

In 2013 is de werkwijze binnen de speelzalen geëvalueerd, met name de tussenkomst van zorgcoördinatoren werd niet overal als aanvullend ervaren. Er is behoefte dat de leidster zelf KiK-gesprekken voert met ouders en jeugdverpleegkundige. De leidster heeft dagelijks contact met peuters en hun ouders, waardoor zij concrete informatie heeft over gedrag en ontwikkeling. In het najaar van 2013 hebben de leidsters deskundigheidsbevordering gehad voor deze taak. Bij zwaardere problematiek of bij speciale redenen kan, op verzoek, de pedagogisch manager als intern begeleider of aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en kindermishandeling worden ingeschakeld.

Zo is de pilot Kind in de Kern van 2008 uitgegroeid tot de zorgstructuur van het Centrum voor Jeugd en Gezin (www.cjgsteenwijkerland.nl) met een volwassen methodiek voor geheel Steenwijkerland en weet zij zich ingebed in de zorgstructuur van onze stichting. Iedere peuterspeelzaallocatie heeft haar eigen netwerk welke zij, samen met ouders, kan inschakelen ten behoeve van de ontwikkeling en groei van ieder kind.


3.     OBSERVEREN EN SIGNALEREN

Een van de taken van een peuterspeelzaalleidster is observeren en signaleren. Observeren gebeurt dagelijks, de leidster heeft kennis van de ontwikkeling en is alert op veranderingen in het gedrag van peuters, zij ziet de signalen in het gedrag van de peuter. Deze signalen worden in het kind dossier genoteerd. Wanneer de signalen aanblijven kan dat reden zijn om in actie te komen. Bij signalen die kunnen duiden op huiselijk geweld of kindermishandeling treedt de Meldcode in werking.

Een goed contact met ouders is in de begeleiding van peuters erg belangrijk. Tijdens de intake krijgt de leidster informatie over het kind van ouders. Bij het brengen en halen wordt informatie over en weer uitgewisseld. Veranderingen in het gezin of de omgeving van de peuter kunnen een enorme invloed hebben op het gedrag. Bijvoorbeeld de geboorte van een baby kan leiden tot druk, opstandig of juist heel teruggetrokken gedrag. Maar ook een nacht slecht slapen kan leiden tot ander gedrag. Communicatie tussen ouders en leidster is erg belangrijk aangezien peuters zelf nog niet in staat zijn dit soort zaken aan te geven. Een goede relatie tussen ouders en leidster is dus zeer belangrijk.

Naast het dagelijks volgen van de peuters wordt de ontwikkeling van de peuter systematisch in beeld gebracht. Leidsters gebruiken hiervoor het Ontluikings Volg systeem Peuters (het OVP). De ontwikkeling van de peuter wordt langs vijf ontwikkelingslijnen gemeten, te weten de sociaal emotionele ontwikkeling, zelfredzaamheid, speel- leerontwikkeling, taalontwikkeling en motoriek. Leidsters zijn geschoold in het hanteren van dit systeem. Standaard wordt de OVP ingevuld rond de derde verjaardag en in de laatste maand voordat de peuter vier jaar wordt. De uitkomst van de observaties wordt altijd met de ouders besproken.

Het OVP biedt ruimte om ook op 2 jaar, 2.6 jaar en 3.6 jaar de ontwikkeling te volgen. Deze momenten gebruikt de leidster als daar aanleiding voor is. Tevens kan naar aanleiding van vragen of zorgen van ouders het OVP gebruikt worden om dit te toetsen.

De jeugdverpleegkundige neemt minimaal 2 keer per jaar met de leidster de kinderen door op hun welbevinden, gedrag en ontwikkeling. Dit wordt verder uitgelegd in hoofdstuk 4 en 5.

Het overdrachtsformulier wordt aan de hand van de observatie(s) ingevuld voordat het kind de peuterspeelzaal verlaat. In de meeste gevallen gebeurt dit voor de overgang naar de basisschool. Dit kan ook bij verhuizing van een kind.

Het overdrachtsformulier wordt, na te zijn besproken,met handtekening van de ouders aan de betreffende basisschool afgegeven. De ruime meerderheid van alle peuters zal de speelzaal verlaten met een positieve overdracht, de overdracht is op alle gebieden ingekleurd met een heel bloemetje. Dat betekent dat deze kinderen zich goed ontwikkelen. Echter enkele kinderen laten een ander beeld zien, bijvoorbeeld op het gebied van de motorische ontwikkeling, dan is het halve bloemetje ingekleurd. Op de achterzijde van het formulier staan de observatie onderdelen. De leidster vinkt aan welk onderdeel (onderdelen) in de observatie aanleiding is (zijn) tot deze score.  

Zo nodig vindt er een zogeheten warme overdracht plaats, wat inhoudt dat er een toelichting wordt gegeven. Daarmee streven we naar een ononderbroken ontwikkelingsgang van ieder kind. Ouders zijn van harte welkom en worden uitgenodigd om aan dit gesprek deel te nemen. (Zie Protocol van overdracht van Voor- naar Vroegschool) Hiermee krijgt de basisschool leerkracht informatie over de ontwikkelingslijn van het kind.

j zelf constateert, ouders of anderen haar stellenl mogelijk handl gebruiken.eunt leu[


4.     KINDBESPREKINGEN

Om kinderen goed te kunnen volgen is het prettig om de ontwikkelingen te kunnen bespreken. Dat gebeurt in eerste instantie altijd met de ouders. Veel leidsters draaien zelfstandig hun peutergroep en zijn hiermee op zichzelf aangewezen in het beoordelen van signalen. De pedagogisch manager kan te allen tijde ingeschakeld worden voor advies of een peuterobservatie.

Structureel wordt op iedere locatie een aantal keer per jaar tijd ingepland voor kindbesprekingen met de CJG verpleegkundige. Men kan elkaar feedback geven, vragen stellen en advies of tips geven. Tevens kan er een afspraak gemaakt worden met ouders (of door ouders) voor een KiK-gesprek.

Door op locatieniveau tijd in te plannen voor kindbesprekingen wordt een vaste structuur aangebracht in het volgen van kinderen en vroeg signalering. Leidsters worden ondersteund door een vaste CJG verpleegkundige.

De peuterspeelzalen zijn in 3 categorieën ingedeeld door de mate waarin VVE wordt aangeboden:

VVE basis peuterspeelzaal

VVE plus

peuterspeelzaal

VVE extra peuterspeelzaal

Boschkabouters

Kiekeboe

Bezige Bijtjes

Hakkepuf

Mannegies

Grutterij

Hummeltje

Wip Wap

Ieniemienie

Kletskoppies

 

Molentje

Peuterleut

 

Woelwatertjes

Peuterstation

   

Tukkepukje

   

Tweeplus

   

Ukkepuk

   

Voor de VVE basis peuterspeelzalen organiseert de leidster 2 á 3 keer een kindbespreking per groep per jaar.

De VVE plus peuterspeelzalen zullen ongeveer 4 keer per jaar per groep een kindbespreking voeren.

Voor de VVE extra speelzalen is het belang van kindbesprekingen groot, hier komen relatief meer doelgroepkinderen waarvoor het extra belangrijk is de ontwikkelingen te volgen.

Hier kan 5 á 6 keer per groep per jaar een kindbespreking gevoerd worden.


5.     ZORGROUTE

We kunnen uitgaan van diverse fasen in de zorgroute, waarbij opgemerkt moet worden dat niet alle fasen (geheel of gedeeltelijk) aan bod hoeven te komen. Ook komt het voor dat de fasen in een andere volgorde doorlopen worden.

We gaan bij zorg altijd eerst uit van de interne zorgroute; het in gesprek gaan met ouders. Daarna worden de externe netwerken aangesproken, zoals een KiK gesprek met CJG verpleegkundige, logopedist, orthopedagoog, zorgteam, bureau jeugdzorg of andere specialisten.

5.1     Observeren, signaleren en handelen

Fase 1  Tijdens het vrije en begeleide spel en de activiteiten op de speelzaal kan de leidster eerste signalen in het gedrag of de ontwikkeling van de peuter tegenkomen, deze signalen kan zij toetsen aan de observatie van het OVP. Ook naar aanleiding van vragen of zorgen van ouders kan het OVP gebruikt worden om dit te toetsen. Tijdens de kindbespreking kan op basis van signalen besloten worden tot verdere stappen in de zorgprocedure.

Fase 2  Middels de tweede verdiepende observatie kan zij specifieker meten. Deze observatie kan beperkt worden tot die lijn (bijvoorbeeld motoriek) waar de leidster uitval op signaleert. Indien wenselijk kan de PM een extra observatie voor de leidster uitvoeren. Alle observaties worden bij voorkeur met de ouders besproken en ingevuld om het functioneren in de thuissituatie mee te kunnen laten wegen in de mogelijke zorgvraag.

            In deze fase kan de CJG verpleegkundige of andere deskundige geconsulteerd worden.

Fase 3  Hier kan in overleg tussen leidster en JVK worden besloten de ouders uit te nodigen voor een KIK-kindbespreking. Vervolgens wordt de zorgvraag helder en concreet geformuleerd in het Handelingsplan. Afspraken rondom wie doet wat, wanneer en met welke middelen. Afstemming hoe de peuter begeleid zal worden en welke rol ouders, leidster of andere instanties spelen.

Fase 4  Wanneer de zorgvraag gecompliceerder is kan besloten worden tot inschakeling van een deskundige, bv door verwijzing naar logopedie of orthopedagoog. Andere mogelijkheden zijn extra huisbezoek door de CJG verpleegkundige, inschakeling of verwijzing naar maatschappelijk werk, huisarts etc.. Steeds wordt gekeken welke inzet op de speelzaal mogelijk is, welke afspraken voor de thuissituatie gemaakt worden, of de zorgvraag  en de doelen nog realistisch zijn etc..

Fase 5  Afronding / overdracht. Wanneer de doelen zijn behaald die beschreven staan op het Handelingsplan, kan het zorgtraject afgesloten worden. Door dit in een persoonlijk (eventueel KiK) gesprek met de ouders te doen wordt teruggekeken op de afgelopen periode en kunnen betrokkenen hun ervaringen delen. Wanneer de doelen niet zijn behaald en de peuter gaat wel van de speelzaal af, bijvoorbeeld omdat het vier jaar wordt of naar een andere opvang gaat is een afrondingsgesprek (of KiK gesprek) ook zinvol. De leidster kan aangeven welke groei de peuter bijvoorbeeld heeft gemaakt, welke aanwijzingen of tips zij aan de ouders mee wil geven en dat er een warme overdracht zal plaats vinden. Ouders worden uitgenodigd hier aan deel te nemen. Tijdens de warme overdracht wordt relevante informatie overgedragen aan school of bijvoorbeeld medisch kinderdagverblijf. De CJG-verpleegkundige zorgt voor de overdracht naar de GGD (JVK 4-12 jaar)

Iedere fase, gesprek en behaald doel wordt op het Handelingsplan genoteerd. Tijdens het zorgtraject kan de OVP vaker gebruikt worden zodat groei en ontwikkeling nauwlettender gevolgd kan worden. Juist voor deze ouders is het prettig te kunnen horen dat hun kind zich positief ontwikkelt.

5.2     Plaatsing met voorrang op indicatie

De gemeente Steenwijkerland heeft SPS aangewezen als aanbieder van VVE voor kinderen die in het kader van de wet OKE toegang tot VVE moeten krijgen. Daarnaast dienen deze kinderen voorrang te krijgen bij plaatsing.

Het plaatsingsbeleid van SPS voorziet in plaatsing met voorrang op basis van leerling-gewicht (wet OKE) of een zorgindicatie. Het leerling-gewicht wordt bepaald op basis van de opleiding van ouders (www.rijksoverheid.nl).

Aanmelding op zorgindicatie dient met een schriftelijke verklaring vergezeld te gaan, veelal door de wijkverpleegkundige of consultatiebureau arts (zie voor uitgebreide informatie het stroomschema VVE doelgroepkinderen vanuit de JGZ).

De jeugdverpleegkundige kan dit aanbod met ouders bespreken, ouders melden hun peuter aan en de JVK informeert SPS over dit kind en de zorgindicatie. Daarna kan de pedagogisch manager contact opnemen met de ouders voor verdere uitleg en inventarisatie van de mogelijkheden.

De ouders kunnen de situatie en de zorgvraag toelichten. Op basis van deze informatie wordt gekeken op welke speelzaalgroep het kind het beste en snelst geplaatst kan worden. Nodige informatie wordt overgedragen aan de leidster en dient als start van de registratie tijdens het verblijf op de speelzaal. Indien wenselijk worden afspraken gemaakt voor extra oudergesprekken (een uitgebreidere intake of een KiK gesprek met de JVK). Voor deze peuters wordt automatisch het zorgtraject ingezet (indien wenselijk meerdere observatiemomenten, tweede verdiepende observatie, afspraken en vorderingen worden hiervoor bijgehouden in het Handelingsplan. Zie Kinddossier hoofdstuk 5.3).


5.3     Kinddossier

Van iedere peuter is gedurende de speelzaalperiode een dossier ontstaan. Dit omvat de volgende documenten:

  • Ouders tekenen bij plaatsing de plaatsingsovereenkomst. In deze overeenkomst is opgenomen dat ouders toestemming geven het overdrachtsformulier over te dragen aan de basisschool op het moment dat de leidster de laatste observatie heeft besproken en ouders hebben aangegeven naar welke basisschool hun kind zal gaan.
  • Ouders vullen bij plaatsing het “Dit ben ik” formulier in, daarmee heeft de leidster informatie over de eerste levensjaren van de peuter.
  • Van ieder kind wordt op 3 jaar en 3.11 jaar een observatie gedaan middels de OVP, deze zogeheten pijlkaarten worden altijd met de ouders besproken.
  • Indien er een zorgroute is geweest en bij een KIK Kindbespreking is het Handelingsplan ingevuld.
  • Bij zorgsignalen rondom gedrag en /of ontwikkeling is, zo nodig, de tweede verdiepende observatielijst ingevuld.
  • Indien ontvangen of verzonden worden (kopieën van) verwijzingbrieven, - verslagen, aanmeldingsverslagen etc. toegevoegd.
  • Op het overdrachtsformulier noteert de leidster hoe zij de ontwikkelingslijnen interpreteert op dat moment (3.11 jaar/ 4 jaar).
  • Van kinderen waarvoor een zorgtraject is geweest  wordt op het overdrachts-formulier een korte omschrijving genoteerd. Bij voorkeur wordt een warme overdracht met de leerkracht van groep 1 gedaan, waarbij leidster en ouder(s) aanwezig zijn.

De leerkracht van groep 1 kan tot 3 maand na plaatsing op de basisschool contact opnemen met de peuterleidster voor vragen.

5.4     Privacy

In verband met privacy worden alle formulieren en observaties in een afsluitbare kast bewaard. Alleen daartoe aangewezen personen mogen de gegevens raadplegen, corrigeren of verwijderen. De gegevens worden na 2 jaar vernietigd.

5.5     Netwerk voor consultatie en inzet

Pedagogisch manager

De pedagogisch manager (PM) biedt leidsters ondersteuning en begeleiding. Steeds in overleg met betrokkenen wat het meest zinvol is, aansluit bij de zorgvraag en door de leidster als veilig wordt ervaren. De uniciteit van een kind vraagt van ons dat wij iedere keer zorgvuldig afwegen wat het beste is voor het kind, zijn ouders, de leidster en de groepsgenoten van het kind. In goed overleg worden afspraken gemaakt welke passend zijn voor dat moment en die situatie.

Ouders zijn en blijven eindverantwoordelijk voor hun kind, zonder medewerking van ouders kunnen we geen andere stappen ondernemen, behalve het kind zo goed mogelijk op de speelzaal te begeleiden. We zullen ouders daarom ook ten alle tijden betrekken bij signalen, met hen afstemmen welke (extra) hulp hun kind nodig heeft, met als doel het kind en gezin te versterken. Ouders zijn verantwoordelijk als 1e opvoeder van hun kind(eren).

De inzet van een extern deskundige kan alleen na toestemming van de ouders, uitgezonderd de mogelijkheid van een anonieme consultatie en in geval van inwerkingtreding van de Meldcode Huiselijk geweld en Kindermishandeling(zie 6.3).

De zorgcoördinator / pedagogisch manager kan

  • peuters observeren en samen met leidster de zorgvraag formuleren;
  • contact opnemen met ouders;
  • deelnemen aan gesprek met ouders;
  • de leidster adviseren;
  • meehelpen het Handelingsplan op te stellen;
  • informatie inwinnen;
  • contacten leggen met andere instellingen/ deskundigen;
  • vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling melden;
  • evalueren van de tussenstappen en /of het hele zorgtraject.

De pedagogisch manager kan video opnamen maken ten behoeve van interactie van leidster met de peuter, interactie van peuter met andere peuters en het spel van de peuter.

Wanneer leidster, CJG verpleegkundige en ouders het niet eens zijn zal de PM in overleg met de eindverantwoordelijk manager een beslissing nemen in het belang van de peuter.

CJG-verpleegkundige

Jeugdverpleegkundigen zijn een belangrijke schakel binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin, zij verwijzen ouders van doelgroepkinderen naar VVE locaties (met een schriftelijke indicatie) en volgens samen met de peuterspeelzaalleidsters de ontwikkeling van peuters.

CJG-verpleegkundigen hebben als onderdeel van hun werkzaamheden de taak om minimaal twee maal per jaar kindbesprekingen te voeren met de peuterspeelzaalleidsters. CJG-verpleegkundigen komen op de speelzaal en hebben daarnaast regelmatig per telefoon of mail contact met de leidster. Tijdens haar bezoek op de peuterspeelzaal kan zij zien hoe de peuters in de groep functioneren die zij ook op haar consultatiebureau (CB) ziet. Leidsters kunnen algemene praktische vragen stellen of gerichte vragen rondom gedrag en ontwikkeling.

De data waarop de CJG-verpleegkundige de speelzaal bezoekt wordt vooraf bekend gemaakt aan de ouders, zodat ouders die in gesprek willen, dit kunnen aangeven bij de leidster.

Kind in de Kern

In het kader van het gemeentelijk Project Kind In de Kern (KIK) zijn in Steenwijkerland op twee niveaus zorgteams ingesteld, namelijk voor de voorschoolse instellingen (kinderdagverblijven en peuterspeelzalen) en op het niveau van basisscholen. Het zorgteam voorschools bestaat uit de CJG-verpleegkundigen, leidster en ouders. Naar behoefte kan een deskundige, betrokken hulpverlener aanschuiven.

Er zijn duidelijke afspraken gemaakt rondom de werkwijze wat betreft de inbreng, rol ouders, kindbespreking, communicatie en verantwoordelijkheden. Deze zijn gebundeld in het “Handboek methodiek Kind in de Kern”.

In aansluiting op de KiK structuur kan er gebruik worden gemaakt van het logopedisch spreekuur. Dit houdt in dat ouders via CJG verpleegkundige hun peuter hiervoor kunnen aanmelden. Voor de verwijzing wordt een schriftelijke procedure gehanteerd die bekend is bij de peuterspeelzaal en het consultatiebureau. Zo kunnen vroegtijdig spraak en taalontwikkelingsachterstanden worden opgemerkt en andere mogelijke logopedische problematiek worden gesignaleerd. Ook kan de logopedist door de leidster benaderd worden voor meer algemene vragen m.b.t. taalontwikkeling en taalstimulering.

Na een KiK-gesprek kan een orthopedagoog ingeschakeld worden. Deze consultatieve begeleiding  heeft ten doel om de problematiek te duiden (hoe ernstig is het en welke acties zijn nodig). Ook deze procedure ligt ingebed in de KiK structuur.

Bureau Jeugdzorg en andere specialisten

Wanneer de zorgen te groot zijn voor onze deskundigheid en niet meer hanteerbaar zijn kunnen we ouders het advies geven contact op te nemen met huisarts, waar zij bijvoorbeeld een verwijzing kunnen aanvragen. Bijvoorbeeld voor een kinderarts, specialist of het Audiologisch Centrum. Veelal zijn er dan al gesprekken gevoerd met ouders en loopt er een KiK traject.

Wanneer de veiligheid van een kind in het geding is ervaart de SPS het als haar (morele) plicht dit te melden bij het Advies en Meldpunt Kindermishandeling. SPS hanteert de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling en heeft een aandachtsfunctionaris aangesteld. Bij signalen die kunnen duiden op huiselijk geweld of (een vermoeden van) kindermishandeling zal de leidster het stappenplan van de Meldcode volgen en de aandachts- functionaris inschakelen.

Bij iedere zorgvraagis de afweging van groot belang wat binnen de grenzen van deskundigheid en taken van de leidster behoort en welke mogelijkheden de groep en speelzaal bieden.

 


6.     ROL OUDERS/ VERZORGERS

6.1     Ouders als pedagogisch bondgenoot

Ouders zijn deskundig wat betreft hun eigen kind, zij kunnen veel informatie toevoegen aan de signalen die de leidster heeft opgevangen, daarmee stellen we ouders op een gelijk niveau als leidsters en zijn ze pedagogisch bondgenoten. Deze relatie tussen ouders en leidster wordt vanaf de eerste kennismaking en informatie-uitwisseling opgebouwd.

Ouders dienen zo snel en zoveel mogelijk open en eerlijk geïnformeerd en geraadpleegd te worden. Ouders moeten betrokken en/of geïnformeerd worden bij alle (vervolg)stappen die worden ondernomen. Zonder toestemming van ouders kunnen leidsters niets meer dan de begeleiding van de peuter zo goed mogelijk afstemmen op de behoefte van de peuter, tenzij er reden is om zonder toestemming van ouders te handelen (zie 6.3).

We zien de peuterspeelzaal en het gezin niet als twee aparte leefwerelden, maar zij zijn complementair aan elkaar. Door samen te werken met ouders, de thuissituatie en peuterspeelzaal op elkaar af te stemmen worden betere resultaten bereikt die ten gunste komen aan de ontwikkeling en/of het gedrag van de peuter én aan het opvoedingsklimaat thuis.

Er wordt steeds gekeken wat op dat moment het beste is voor de peuter binnen de grenzen van het haalbare. Ouders zijn en blijven eindverantwoordelijk. Zonder toestemming van ouders kan er wel ondersteuning gevraagd worden voor het pedagogisch handelen van de leidster.

6.2     Contactmomenten

Bij de eerste kennismaking en gedurende de wenperiode wordt er tussen leidster en ouders veel informatie uitgewisseld. Leidsters informeren ouders over de speelzaal. Het hanteren van een peuter volgsysteem is in deze eerste informatieverstrekking opgenomen. Ouders geven informatie over hun kind. Hiervoor is het “Dit ben ik” formulier een praktisch hulpmiddel.

Daarna blijven er diverse contactmomenten tussen leidster en ouders, met name tijdens het brengen en halen; waar vaak een uitwisseling van informatie plaats vindt. Het gaat hier veelal om dagelijkse zaken zoals wanneer de peuter door iemand anders wordt opgehaald, of de peuter lijkt niet helemaal fit te zijn waar extra aandacht voor gevraagd wordt. Ook tijdens de zindelijkheidstraining zal er vaker wederzijds geïnformeerd worden.

Extra aandacht verdient het contact na iedere OVP observatie. Ook wanneer het goed gaat met het kind hechten we er belang aan de observatie in een gesprek met de ouders door te nemen. Ouders kunnen reageren op de bevindingen van de leidster, verhelderende vragen stellen en aanvullen hoe het thuis gaat. Wanneer dit gesprek bijvoorbeeld in het breng en haalcontact wordt gevoerd, wordt het belang van het volgen van de ontwikkeling tekort gedaan.

Soms is het zinvol een extra gesprek met ouders te voeren, dat kan naar aanleiding van vragen van ouders maar ook van de leidster. De breng en haalmomenten zijn niet altijd geschikt om specifiekere vragen te stellen of dieper in te gaan op bijvoorbeeld een opvoedingsvraag. De leidster maakt een afspraak, vertelt de reden van het gesprek en indien de PM erbij aanwezig is zal dat ook bekend gemaakt worden. Ook ligt hier de mogelijkheid om ouders uit te nodigen voor een KiK gesprek met de jeugdverpleegkundige er bij.

De speelzaalperiode wordt afgesloten met een gesprek naar aanleiding van de laatste OVP observatie. Het overdrachtsformulier is ingevuld en wordt door ouders ondertekend. Er is gelegenheid voor een korte terugblik op de speelzaalperiode.

Sinds begin 2014 is het Protocol van overdracht van Voor- naar Vroegschool in werking getreden. Hierin is de rol en betrokkenheid van ouders opgenomen bij de overdracht naar de basisschool waardoor zij een bijdrage kunnen leveren aan het streven naar een ononderbroken ontwikkelingsgang van ieder kind.

 

6.3     Handelen zonder toestemming

Wanneer een leidster van mening is dat een kind schade kan leiden onder de opvoeding, (gezins)omstandigheden of zijn eigen gedrag en zij dit niet (meer) met ouders kan bespreken neemt zij contact op met de pedagogisch manager die tevens aandachtsfunctionaris is. Samen bespreken ze de situatie en maken afspraken over de te nemen acties. In voorkomende gevallen kan dat betekenen dat de manager bijvoorbeeld de speelzaal bezoekt, een observatie doet of in gesprek gaat met de ouders. In het geval dat ouders niet bereidt zijn, of niet kunnen meewerken kan zonder toestemming van ouders gehandeld worden (volgens het stappenplan van de Meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling).


6.     ONDERLIGGENDE DOCUMENTEN

  • Wet OKE
  • Handboek methodiek Kind in de Kern
  • Uitvoeringsplan Voor en Vroegschoolse Educatie 2011-2014. Gemeente Steenwijkerland
  • Brochure Uitvoering van Voor- en Vroegschoolse Educatie
  • Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, juli 2013
  • Privacybeleid (hoofdstuk 10.3 van het beleidsplan SPS)
  • Protocol van overdracht van Voor- naar Vroegschool

ONDERLIGGENDE FORMULIEREN

  • Plaatsingsovereenkomst SPS
  • “Dit ben ik” formulier
  • Indicatiebrief voor VVE extra (Zorggroep ONL)
  • Peilkaarten OVP (observatielijsten)
  • Formulier Kindbespreking (werkdocument tbv kindbespreking)
  • Peuterkaart (werkdocument van de leidster)
  • Tweede verdiepende observatielijsten OVP
  • Handelingsplan
  • Cito peutertoetsen (alleen VVE extra locaties)
  • Overdrachtsformulier OVP
  • Formulier Toestemming observatie peuter
  • Formulier Aanvraag logopedisch speekuur